Eigenlijk was het volslagen idioot. De liefde natuurlijk. Ik kon aan niks anders meer denken, en ik schreef geschifte brieven die ik nooit opstuurde. Gelukkig maar, want de waanzin spatte van het papier. In gedachten herhaalde ik elk woord dat ik haar ooit had horen zeggen, en als ik door het raam keek dacht ik: als er nu een rode auto voorbij rijdt, dan houdt ze van mij. Of nee, een witte, want die waren toen populairder. Als ik voorbij een voordeur kwam met hetzelfde huisnummer als het hare, liep er een heerlijke rilling over mijn ruggengraat. Al gauw begon ik wandelingen van een halve dag of langer te maken, door verschillende dorpen en steden. Want die rillingen kreeg je maar éénmaal per huis, je moest dus telkens nieuwe straten in. Beetje jammer wel dat haar huisnummer 212 was, want de meeste straten zijn daar niet lang genoeg voor. O ,wat een ellende als je aan het einde van een straat moest constateren dat het laatste huisnummer 194 was. Dju toch. Maar de voordeur had misschien wel ongeveer dezelfde kleur als de hare. Een kleine rillinkje dan? Allez vooruit dan, maar het was toch niet hetzelfde. Om het een beetje haalbaar te houden besloot ik dat de helft van 212 ook goed was voor een kort moment van vreugde. En de helft daarvan ook. Dus 53, 106, en 212. En waarom ook niet 106 + 53, zijnde 159? Ja toch? Dat ging al heel wat vlotter.
Op een keer kreeg ik de politie op mijn nek. Een bejaarde die niks beters had te doen was mij stiekem gevolgd, en hij had gemerkt dat ik steeds maar naar de huisnummers keek terwijl ik heel de wijk te voet doorkruiste. Wat zeg je dan tegen een agent? Toch niet dat je gelukzalige rillingen krijgt bij het huisnummer 53 of een veelvoud daarvan?
Als er een witte auto voor een geluksdeur stond geparkeerd, dan stegen mijn kansen op liefdesgeluk met tien procent. In het geval van een zwarte auto ging er vijf procent af. Dat werd een heel rekenwerk, het was om onnozel van te worden. Maar mijn kansen stegen langzaam maar zeker. Op den duur zat ik aan vierduizend en zoveel procent. Maar je bent natuurlijk nooit helemaal zeker. En laat ons eerlijk zijn: dat gedoe is ook niet zo goed voor je zelfbeeld. Het is niet omdat ik duidelijk mijn verstand was verloren, dat ik plots achterlijk was.
Om een lang verhaal kort te maken: dat van die vierduizend procent bleek uiteindelijk te kloppen. Na een feestje bij gemeenschappelijke vrienden gingen we samen op café, en tot mijn grote verrassing bevond ik mij een een uurtje later in haar slaapkamer. Ze knoopte haar bloes los en zette een CD met Chileense panfluitmuziek op. In die volgorde. Voor de sfeer, zei ze. Dat mens is volslagen krankjorum, dacht ik. Panfluitmuziek, in godsnaam! Ik zei dat ik hoofdpijn had en nam zo beleefd mogelijk afscheid. Ik heb nooit geweten of ze die hele CD nog verder heeft beluisterd. Misschien wel, om haar emoties te verwerken. Als ze die al had, natuurlijk.
Enfin, ik was dus voorgoed verlost van dat huisnummersgedoe. En ik blijf het rotmuziek vinden, maar telkens ik een panfluit hoor, word ik toch een beetje blij.
Ik zou willen beginnen met een vraag. Vindt u van uzelf dat u gezond bent?
Hallo? Niet, dus.
Dan ga ik makkelijkere vraag stellen. Vindt u uzelf mooi? Hallo?
Bent u gelukkig dan? Ik hoor niets. Nee, niet dus.
Heel grappig misschien, maar vindt u dat eigenlijk niet vreemd? Wij wonen in één van de meest welvarende, in één van de meest paradijselijkste regio’s van de wereld. Toch vinden we niet dat we mooi, gezond of gelukkig zijn. Terwijl we dat, geloof mij allemaal of toch de meeste toch zeker zijn.
Hoe komt het dat nu? Ik denk dat ik weet hoe dat komt. Dat komt door de marketing.
De marketing wil niet dat wij gelukkig zijn, dat wij mooi zijn of dat wij gezond zijn. Ik zal het anders formuleren: de marketing verdient niets aan mooie, gezonde of gelukkige mensen.
Ik zal een voorbeeld geven uit de praktijk: ‘Het is vrijdagavond, we hebben heel de week gewerkt. Moe, maar voldaan leggen we ons in de zetel en kijken we naar een film op VT4 of VTM. De eerste tien minuten gaat dat goed. Gezellig, plezant…maar dan de reclame! En wat zeggen ze daar: ‘Je bent te dik, je bent te kort, je hebt geen mooie voeten, uw wc hangt vol grote gevaarlijke bacteriën. Uw tanden zijn niet wit genoeg. Kent u trouwens al het ‘tandarts-schoongevoel’? Pardon? Het tandarts-schoongevoel?
U hebt te veel rimpels. U bent 65 jaar mevrouw en u heeft een rimpel. Dat kan toch niet! Hoe kunt u nu gelukkig zijn met een rimpel? En dames, kent u trouwens al: het ‘net-van-de-kappergevoel.’ Waar blijven ze dat halen, dames en heren: het ‘net-van-de-kappergevoel.’
Volgens mij is dat 80 à 120 euro minder in je portemonnee hebben. Maar nee, die menen dat. Pas op, want het gaat nog beter worden.
Terwijl u daar in uw zetel koekjes ligt te eten, kan u maar beter gelukkig worden door dat u ook aan het milieu werkt. Kent u trouwens al de ‘plant uw eigen boomactie’ van Grany?
Grany het zogezegde lekkere, gezonde koekje werkt samen met u aan een groenere en mooiere omgeving. Als u vijf van die koek-verpakkingen koopt, dan krijgt u vijf codes en met die codes, kan u via het internet een eigen persoonlijke boom laten planten in het grote Grany-bos.
Dat lijkt allemaal mooi, maar denk je nu echt dat die mannen van Grany inzitten met het milieu? Laat staan met jouw geluk? Nee, die willen gewoon koekjes verkopen natuurlijk. Domoren dat we zijn.
Zijn die koekjes trouwens zo gezond? Lekker misschien wel. Natuurlijk, ze zitten vol suiker. Maar zijn die gezond, omdat die in een wat groene bio-ogende verpakking zitten?
Nee, dat is gewoon wat samen geprakte granen met suikersiroop. Maar als u dat wilt doen dames en heren, dan doet u dat maar. Koop maar uw Grany-koeken en eet je maar vol met Grany-koeken en binnen vijf jaar ga je zo dik zijn, zo levensmoe en depressief van de suiker zijn, dat je naar je garage loopt, een touw neemt en naar het grote Grany-bos trekt om u vervolgens op te hangen in je eigen Grany-boom.
Trouwens, je weet toch, dat wanneer u niet elke dag zo’n klein, wit, plastic apotheekflesje met acturegularis-bacteriën drinkt, u gaat ontploffen door je eigen cholesterol?
Wij geloven dat allemaal. Hup, de ochtend erna naar de winkel en kopen. We kopen onze gezondheid, wij kopen ons geluk en wij kopen onze schoonheid.
Maar als we thuiskomen blijkt dat dus allemaal niet waar te zijn. Natuurlijk is dat niet waar, want we zijn al mooi, we zijn al gezond en we zijn al gelukkig.
Ten eerste is schoonheid relatief. Kijk rondom u. Allé denk nu eens aan de lelijkste kennis die u heeft. De lelijkste mens in jouw omgeving. Heeft die mens een lief? Waarschijnlijk wel. Probeer het ook eens bij de tweede lelijkste. Zie je wel, schoonheid is relatief.
En gezondheid? Gezondheid is voor iedereen die geboren wordt een lottoformulier. We winnen of verliezen. De ene keer winnen we en de andere keer verliezen we. Los van zij die getroffen worden door vervelende en ongeneselijke ziektes, hebben we toch allemaal maar dik de chance van in België geboren te zijn en ten alle tijde geholpen te kunnen worden.
En dan…geluk. Wordt het dames en heren geen tijd dat iedereen beseft, dat geluk een fluctuerende beweging is. Eigen aan het leven. Het streven naar geluk is een dagelijkse opdracht die ons doet leven. Iemand die alleen gelukkig is, heeft geen reden meer om te leven. Dus beste luisteraar, maak het u voortaan gemakkelijk en beslis voor uzelf en laat u niet meer beïnvloeden, door anderen. U, ja ook u…u bent mooi. U bent gezond en hopelijk nu al een beetje gelukkiger. Nog een goeie dag.
“Met Charlie de Keersmaecker maakte ik WAKKER, een boek met nachtelijke portretten van mensen en plaatsen, dat eerder dit jaar verscheen. Een van de plaatsen waar ik de nacht doorbracht was een psychiatrische inrichting in Diest. Natuurlijk is dat geen vrolijke plaats, en je hoopt er nooit zelf terecht te komen. Een patiënte, een vrouw met wie ik er praatte beschreef de ontzettende schaamte die haar overviel als ze met een groep psychiatrische patiënten buiten kwamen. Daar bij te horen, het stigma dat je in de blikken van voorbijgangers leest, de loser die je voor hen bent.
Zelf was ik vooral getroffen door de manier waarop een deel van de patiënten de publieke ruimte probeerden na te bootsen in dit gebouw waarin mensen van de maatschappij worden weggehouden. Het samenzijn met ijsjes en overvolle asbakken. De meesten die ik erover sprak, lieten zich positief uit over de verzorging die ze in de psychiatrische inrichting in Diest kregen. Ze hadden allemaal al in andere instellingen gezeten, en hadden ook nare ervaringen gehad. Goede inrichtingen moeten bestaan, er is nood aan, al komt niemand er natuurlijk graag terecht.”
Psychiatrische instelling
Nachtverpleger Johan neemt het over van de avonddienst. Het donker valt tijdens een briefing; een bondig overzicht van incidenten van de voorbije dag waarmee ’s nachts rekening moet worden gehouden.Gisteren heeft een vrouwelijke patiënte gedreigd het diensthoofd op zijn gezicht te slaan nadat die haar had aanbevolen wat aan haar gewicht te werken. Toch heeft Sint-Annendael nog maar zelden met agressie te maken. Sinds de teamleden geschikte methodes hebben gevonden om met borderlinepatiënten en weglopers om te gaan, is het hier veel rustiger. De verpleger van de afdeling Sint-Godelieve zit in het teamlokaal, dat met een groot raam van de gangen is gescheiden en door de patiënten wordt aangeduid met ‘de bokaal ’. Vanaf half tien ’s avonds kunnen ze daar
terecht voor hun nachtmedicatie. ‘Ik zou al willen gaan slapen ’, zegt een man om zestien over negen.
‘Nog veertien minuten. ’
Van afspraken en tijdstippen wordt niet snel afgeweken, dat weten de bewoners. Duidelijkheid en regelmaat stoten weleens op protest maar scheppen doorgaans vooral rust.Naar die rust zoekt iedereen hier, mensen met schizofrenie het meest. De behoefte aan sociaal contact is individueel maar ook pathologisch bepaald. ‘Hebben ze mijn geld en mijn spullen nog altijd niet gebracht? ’ wil Diane weten, die vandaag is overgebracht vanuit een ander centrum. ‘Ik begin boos te worden, hè. ’
‘Ik weet het. Ga maar bij de anderen zitten. Ik roep je wel als ze gearriveerd zijn ’, sust Johan. Hij vindt het zelf ook ongehoord om uitgerekend deze vrouw een dag lang op iets te laten wachten.
Ongeveer de helft van de bewoners blijft wakker tot middernacht. Een vrouw zit op haar eentje te breien, een andere leest een boek. Een man en een vrouw zitten achter een grote berg tabak in samenwerkingsverband sigaretten te draaien. Telkens als de deur openzwaait, kijken ze achterdochtig
naar wie hen stoort. Buiten zit een grotere groep patiënten. Daar wordt gerookt.
‘We zijn vreemden voor elkaar ’, zegt een vrouw traag en lachend voor
ze naar bed gaat.Maar dat dit een goede psychiatrische instelling is, daar lijkt iedereen
het over eens. En ja, ze kunnen allemaal vergelijken.
‘Mijn gerief is nog niet gebracht, dat kan niet! ’ zegt Diane, die nu echt
boos is. ‘Ik eet niet meer. ’
‘Je eet nu al niet meer. Je doet jezelf wat aan als je zo verder doet ’, zegt Mia, die zelf wil afvallen, maar geen nee zegt tegen een dieetijsje. ‘Ik ben hier nog maar een week, maar ik had al meteen vriendschappen’, zegt Angèle om de negativiteit af te wenden. ‘Rooney doet altijd
mijn accent na.’
Van bij de televisie bootst Rooney haar accent na. Angèle, die elke nacht huilt van twaalf tot drie, schatert het uit. ‘Vriendschap, dat is overal toch het mooiste wat er is? ’Toch worden vriendschappen in de psychiatrie niet altijd aangemoedigd.
Afscheid nemen doet hier meer pijn dan elders. Vooral als dat afscheid definitief is. Er valt een stilte als Luc erbij komt zitten. Zijn gezicht verraadt spanning en intense pijn. Vorige week is zijn boezemvriendin, die hij op deze afdeling had leren kennen, uit het leven gestapt. Sinds een
week slaapt iedereen rond deze tafel slecht. Ze kenden haar allemaal. Luc voelt zich door haar in de steek gelaten. Honderd pillen heeft ze genomen. Een heel leven heeft ze geleden.‘Ik blijf het herhalen: niemand, niemand zou ik ooit een geestesziekte toewensen. Het is de ergste gevangenis die er is ’, zegt Luc, waarna hij zich
weer naar binnen haast. ‘Hoe is ze toch aan die pillen geraakt? ’ vraagt Mia zich hardop af. Hier
krijg je niet de kans een verzameling aan te leggen. Niet dat ze daarin geïnteresseerd is. Met haar gaat het goed. Ze is alweer een tijdje van de drank af. Nu nog de overtollige kilo ’s, daarna de sigaretten en ten slotte de psychiatrie zelf. Ze heeft hoop en een plan. ‘En ook spijt. Dat ik zo veel
gedronken heb. Maar ik kon niet zonder mijn moeder. ’Dianes spullen zijn aangekomen. Ze vertrekt ermee naar haar kamer, waar het licht meteen uitgaat. In de ‘prikkelarme separatiekamers ’ die op
het scherm in de bokaal te zien zijn, jagen twee mannen in onderbroek een paar uur slaap na. Ze lopen rond het bed, gaan op de rand van de matras zitten of op de grond liggen. ‘Ik heb een grenzeloos verlangen naar wat ik niet kan vangen ’, schrijft Elizabeth. Elke avond bedenkt ze een nieuw gedicht. Vaak zijn haar medepatiënten tot tranen toe geroerd. Ze wil laten zien hoe het licht hierbinnen kan schijnen. In haar poëzie, in de schilderijen van de andere patiënten die de bruine en beige gangen verlevendigen, in het engagement van de verplegers en de vaderlijke steun van haar psychiater.
Hij moedigt haar aan weer te gaan solliciteren, maar Elizabeth houdt het nog even bij gedichten. Om drie uur stopt Angèle met huilen. Johan hoeft haar niet meer te troosten. Hij praat even met een slapeloze man wiens vrouw zich onlangs dooddronk. Daarna ontmoeten de nachtverplegers elkaar voor een korte pauze in de bokaal. Er wordt over reizen gepraat. Naar Philadelphia, New Orleans en Louisiana. De koffie is te slap.
“Mag ik dat vertellen?”. Agnes, 72 en in een vorig leven Gentse kulder, zucht. Ze is een van de mondelinge getuigen in een onderzoek naar de geschiedenis van de weeshuizen. Ze zucht opnieuw. Het is voor het eerst in 51 jaar dat ze naar woorden zoekt. Voorheen waren er geen woorden, enkel gedachten. Veel gedachten. Stap voor stap kneedt ze fragmenten uit een ingrijpend verleden tot haar verhaal. De herinnering aan haar nummer, “numéro 31”, blijft overeind: “Als ik 31 zie of lees, dan is het weeshuis daar onmiddellijk, ik ruik het zelfs”.
Agnes was een kind toen etiketten geleidelijk aan een plek in onze taal vonden. En hoewel nog schaars in aantal, wogen ze toen al als lood. Niemand kiest ervoor om als “un enfant morallement abandoné” door het leven te gaan. Agnes was een kind, een kind in gevaar. Of was ze een gevaarlijk kind? De twintigste eeuw, zo beloftevol aangekondigd als “de eeuw van het kind”, verwerd tot de eeuw van het probleemkind. De roep naar aandacht voor ruimte, beweging en spontaniteit van kinderen verstomde. Voortaan sierden boeken over het belang van aandacht, concentratie en afwijkingen van het standaard gemiddelde het hoogste schavot. Kinderen zijn gaan hinderen. Vandaag leren onderzoeken en statistieken ons dat we probleemkinderen te over hebben. Kinderen krijgen volop en soms meerdere labels tegelijk opgekleefd. We botsen ook op gekke cijfers. Zoals 4,2 miljoen. Het aantal dosissen Rilatine dat in 2008 door kinderen en jongeren in ons land werd ingenomen. Rilatine, alleen mijn spellingscorrector in Word lijkt er nog over te struikelen.
De overtuiging leeft dat we al ‘heel veel kind’ in kaart konden brengen: er zijn diagnoses en remedies, stoornissen en therapieën. We voelen ons er zekerder en geruster door. We willen alleen maar ‘het beste’ voor onze kinderen. In onze obsessieve neiging ‘het naadje van de kous’ te willen weten, zoals de Nederlandse psycholoog Gerrit Breeuwsma het zo plastisch uitdrukt, verschijnt echter telkens weer het kind als gesneden beeld. We scheppen kinderen naar ons beeld en onze gelijkenis, maar dan nog beter. De ironie wil dat we het kind net in dat vastleggen oeverloos tekort doen.
Waar in onze onzekere zoektocht klinkt de stem van het kind zelf? Waarom blijven op zo veel plaatsen het perspectief, de blik en de ervaring van kinderen met psychische problemen of van kinderen met ADHD zo manifest afwezig. Omdat kinderen nog niet alles begrijpen, zegt men. Ik weet niet wat kinderen begrijpen. Net zo min weet ik wat mijn moeder, buurman en beste vriend begrijpen. Maar dat houdt me niet tegen om naar hen te luisteren. Het houdt me niet tegen om hen vaak onvoorzien mijn bestaan binnen te laten dringen en overhoop te laten gooien. Grenzen stellen aan wat kinderen begrijpen, zou betekenen dat ik hen begrijp, en dat doe ik niet. Maar kinderen moeten toch nog kind kunnen zijn, zegt men. “Dat is in procenten. Mijn vriend heeft 15 procent ADHD. Dat is niet zoveel, maar dat is toch ADHD. Ik heb ook ADHD. Eén procent.”, stelt de 10-jarige Anton. Misschien is kind zijn wel zoals ADHD ‘hebben’. In procenten. Wie hoog scoort, is vandaag een kind in gevaar. Wie laag scoort, is gevaarlijk jong. We zijn bang. Bang dat kinderen en jongeren zullen terugkijken en met hun blik een vergrootglas op onze eigen angsten en onzekerheden zullen richten. “Ik zou graag hebben dat ze me als normaal zien. Ook al bestaat ‘normaal zijn’ niet echt”, zegt Anton.
De 72-jarige Agnes stelt zich vandaag nog steeds de vraag waarom ze indertijd “wees” werd genoemd. Haar beide ouders leefden nog, waren hooguit niet in staat voor hun kind te zorgen. Haar werd niets gevraagd. Het stempel van haar etiket is nooit opgedroogd.
Bruno Vanobbergen is de Vlaamse kinderrechtencommissaris.
Als je tien jaar geleden aan alle jongemannen die nu met een snor rondlopen had gevraagd: ‘Vind jij een snor mooi?’ Dan had, behalve een enkeling hier en daar, geen een van hen daar bevestigend op geantwoord. Dat geef ik u op een blaadje. En toch dragen vandaag de dag heel veel hipsters een snor. En ze doen dat met trots. Dat zie je. Als een statement: ‘Kijk eens aan, ik durf, ik snor!’ Neen, die snor is er heus niet toevallig gekomen.
Alvorens de indruk te scheppen alle mannen met snorren van platte meegaandheid te verdenken, zal ik pijl en boog op mezelf richten. Neen. Ik heb geen snor. Maar ik draag graag kleurrijke kleding. Ik weet heel zeker dat ik die al mooi vond nog voor menige medemens er als een losgeslagen verfdoos begon bij te lopen. Maar als ik straks mijn rode leren jas aantrek, dan kan ik er van op aan dat ik in de loop van de dag nog wel iemand zal tegenkomen in het rood. Want kleurrijke kleding is in.
Nu stel ik mezelf de vraag in welke mate ik bewust zelf gekozen heb om dat heldere kleurenpalet mooi te vinden en in welke mate de wereld rondom mij me daarin heeft gestuurd. En ook: wat gaat er gebeuren als over een paar jaar de mode weer voor naturel tinten gaat? Ga ik die snoepjestinten dan zelf ook voorbij gestreefd vinden en bijgevolg heel het interieur beige schilderen? Bestaat er met andere woorden een mogelijkheid dat ik beige of grijs of lila-nog-aan-toe ooit oprecht mooi zal vinden?
Dus. In welke mate is de persoon die je bent origineel van jezelf?
In welke mate is het moodboard dat je ooit onbewust voor jezelf samengesteld hebt, een dat je zelf hebt bepaald?
‘Wees maar lekker jezelf!’ scanderen magazines en reclamespots.
Maar wie is dat toch, ‘jezelf’?
Het begint al bij het meest absurde mysterie en dat is dat de persoon waar je je hele leven mee bezig bent om die te douchen, in te smeren met huidcrèmes allerhande en aan te kleden, kortom het hele omhulsel waarin je huist, dat jij de enige bent die die nooit te zien zal krijgen. Natuurlijk kan je in de spiegel kijken maar dat geeft altijd een vertekend beeld. Als ik dierbaren naast me in de spiegel zie, merk ik op dat in de spiegel hun neus of kaaklijn regelmatig toch wat scheef trekt. Dus helemaal betrouwbaar is dat niet, een spiegelbeeld.
Soms probeer ik een soort van dialoog aan te gaan met mijn spiegelbeeld. U hebt dat misschien ook al eens gedaan, zo hard in de spiegel gekeken dat je heel even denkt dat je ècht jezelf ziet? Dus dat je zo dicht bij de spiegel gaat staan dat het onwennig wordt en je je spiegelbeeld bijna hoort bijten: ‘Hey you, get out of my aura!’
En als je dan vervolgens een paar minuten naar de verschillende onderdelen van je gezicht kijkt, heel gefocust, waan je je gegarandeerd de Stanley of Livingstone van je eigen wimpers en poriën. Een heel apart gevoel geeft dat telkens weer. (Ja, ik werk parttime, dat helpt)
Op diezelfde manier zou je ook je eigen karakter en doen en laten facet per facet kunnen gaan bestuderen. Maar de vraag is nog of je daar wel zo blij van zou worden.
‘Wees gewoon lekker jezelf!’ is een valstrik van een slogan. Want als ik en u dat echt zouden doordrijven, ho maar! Waar leidt dat dan heen?!?
Het is fascinerend om zien hoe in onze wereld een paar enkelingen wel zo extreem zichzelf kunnen uiten en daar nog mee wegkomen ook. Lady Gaga kan haar mannelijk alter ego voor de ogen van miljoenen kijkers een prijs in ontvangst laten nemen en wordt niet opgenomen in het psychiatrisch centrum van Kortenberg. Zowel Amy Winehouse als Kurt Cobain zongen pijnlijk eerlijk over hun destructieve gedrag en werden daarvoor zelfs beloond met Grammy Awards en andere prijzen.
Wat maakt dat sommige mensen zich dat kunnen permitteren en als ik dat zou doen, bijvoorbeeld mijn mannelijk alter ego naar de redactie sturen, ik me ten eerste compleet belachelijk zou maken en vervolgens binnen de kortste keren geen vrienden meer hebben?
Het is een wankel evenwicht tussen origineel en authentiek zijn en je aansluiten bij een groep. Een constant aantrekken en afstoten. Een afstand nemen ook ter bescherming voor al teveel invloeden van buitenaf.
Doordat de richtlijnen van de maatschappij veel vager zijn dan vroeger, ontstaat er verwarring in de hoofden van de mensen. Met een romantische insteek kan je stellen dat je in de tijd van paard en kar gewoon iedere dag ging werken en dat dat vaak fysiek werk was waarvan je zo moe werd dat je ’s avonds nog amper de puf had om een potje eten klaar te maken. Je hoefde toen nog niet iemand van betekenis te zijn doordat je grote stukken van de wereld had gezien of naar yoga en mindfullness ging en de dag nadien naar Italiaans voor gevorderden. Je kon je met andere woorden laten meedrijven op het ritme van rituelen en jaarmarkten en kermissen en misvieringen en seizoenen.
En onze ouders zouden een partner voor ons regelen. Dus we zouden op liefdesgebied niet meer duizend keer met onze kop tegen de muur te hoeven lopen.
En we moesten geen studiekeuzes maken. Want we gingen werken op het land of in de fabriek.
Natuurlijk zou dat niet beter zijn. Want onnoemelijk saai. Maar wel bevrijdend in zekere zin.
We leven in een tijd die zich laat beleven als glad ijs. Omdat er net zoveel keuzes zelf gemaakt moeten worden en de handleiding, neen, die kregen we er niet bij. Sommigen proberen ze aan te bieden in de vorm van zelfhulpboeken (er bestaan er nu ook al mèt CD, veel gekker moet het toch niet worden). Maar ook die volstaan vaak niet als richtlijn voor de dagen.
Daarom zouden wij wat meer mededogen met onszelf mogen hebben. Want we doen het toch maar, jij, ik, wij allemaal, op de een of andere manier iedere dag opnieuw stand houden. En daarom vind ik dat jij en ik, wij allemaal, een feestje verdienen. Een klein maar wel uitermate gezellig feestje.
Vanaf 4 oktober staat hier elke week een andere bekende columnist(e) even stil bij de thematiek van het programma. De columnisten zijn: Barbara Rottiers, Annelies Verbeke, Luc Janssen, Herman Verbruggen, Hugo Matthysen en Bruno Vanobbergen.